Herman Ram

Titel:

De plaats van forensisch onderzoek in het dopingbeleid

Parallelsessie:Forensics
Tijd:11:25 - 12:15 uur

Abstract

De opsporing van dopingovertredingen is een complex gebeuren, enerzijds omdat het om zeer verschillende soorten overtredingen kan gaan, en uiteraard anderzijds omdat aan de bewijsvoering zeer hoge eisen gesteld worden. De meeste dopingovertredingen worden in Nederland uitsluitend via het tuchtrecht van sportbonden afgehandeld: alleen handel en productie kunnen strafrechtelijk vervolgd worden, al is daar in de praktijk betrekkelijk zelden sprake van. De Dopingautoriteit verricht haar werk dan ook zonder formele opsporingsbevoegdheid, en dus zonder de toepassing van strafrechtelijke dwangmiddelen.

Met de directe detectie van de aanwezigheid van doping in het lichaam van een sporter is inmiddels tientallen jaren ervaring opgedaan, en dit deel van het werk – uitgevoerd door dopinglaboratoria - kan als ‘traditionele opsporing’ gezien worden, al blijft ook dit terrein voortdurend in ontwikkeling. Maar niet alle dopingovertredingen kunnen (goed) langs deze weg worden opgespoord. In aanvulling op de traditionele opsporing is daarom het biomedisch paspoort ontwikkeld, dat sinds kort ook daadwerkelijk als bewijs in dopingzaken gebruikt wordt. Het biomedisch paspoort is gebaseerd op het longitudinaal verzamelen van bloed- en urinewaarden en op het interpreteren van fluctuaties in deze gegevens. Hier stopt de ontwikkeling zeker niet: een belangrijk deel van de mogelijke dopingovertredingen kan niet (alleen) door laboratoriumwerk worden vastgesteld. Voor het bewijs van o.a. manipulatie, bezit, handel en toediening is de inzet van andere forensische methoden noodzakelijk. Het gebruik van deze methoden is nieuw voor antidopingorganisaties, maar het laat zich aanzien dat deze ‘nieuwe’ opsporingsmethoden in de komende jaren steeds belangrijker gaan worden. Antidopingorganisaties zullen zich nieuwe kennis moeten eigen maken, en hiervoor zal steeds nauwer worden samengewerkt met politie en justitie, de farmaceutische industrie en forensische instituten.

 

CV

Herman Ram is directeur van de Dopingautoriteit sinds mei 2006. In deze functie is hij verantwoordelijk voor de integrale beleidsontwikkeling en uitvoering van de Dopingautoriteit, en treedt hij tevens op als woordvoerder van de organisatie. De Dopingautoriteit heeft twee hoofdtaken, namelijk Preventie en Controle. Deze hoofdtaken worden ondersteund door Wetenschappelijk onderzoek, Juridische taken en Internationale activiteiten. De Dopingautoriteit is door het Ministerie van VWS aangewezen als de Nationale Anti-Doping Organisatie van Nederland en geeft in ons land uitvoering aan de World Anti-Doping Code. Voorafgaande aan de overstap naar de Dopingautoriteit was Ram ruim 14 jaar actief als directeur van achtereenvolgens de Koninklijke Nederlandse Schaak Bond, de Nederlandse Badminton Bond en de Nederlandse Ski Vereniging. Vanuit die posities heeft hij zitting gehad in een groot aantal commissies en besturen, zowel nationaal als internationaal.

Ram heeft een Masterstitel Sportmanagement en is Meester in de Rechten.